Submenu:
Europa algemeen - Hoofdinhoud
Het Verdrag van Lissabon is op 1 december 2009 in werking getreden. Hiermee kwam een einde aan een lang hervormingsproces. Het verdrag is er op gericht de Europese Unie beter bestuurbaar en democratischer te maken. Het Verdrag van Lissabon komt in de plaats van de Europese Grondwet, die in 2005 door de Nederlandse en Franse burgers is afgewezen.
Dit nieuwe verdrag is het voorlopige sluitstuk van de Europese samenwerking die begon met een ambitieus plan van zes West-Europese landen die wilden voorkomen dat dit continent voor de derde keer in één eeuw het toneel zou worden van een verwoestende oorlog. Aldus gaven de politieke leiders van die zes landen gevolg aan het initiatief van de Franse minister van Buitenlandse Zaken Robert Schuman zeven jaar daarvoor had genomen, toen hij op 9 mei 1950 Frankrijk en Duitsland opriep hun productie van kolen en staal onder één gemeenschappelijke autoriteit te brengen. Dit initiatief mondde in 1953 uit in het EGKS-Verdrag, waarna in 1957 het EEG-Verdrag werd ondertekend in Rome.
Inhoudsopgave van deze pagina:
Het was de tijd dat de politieke leiders in Europa werden geïnspireerd door een droom, een droom die eenvoudig is samen te vatten in de woorden "nooit meer oorlog". En deze droom wilden zij werkelijkheid laten worden langs de weg van economische samenwerking. Vandaar kolen en staal. Vandaar de Europese Economische Gemeenschap. Uiteraard moesten Frankrijk en Duitsland destijds de hoeksteen van deze samenwerking vormen. Want zonder deze twee rivaliserende grootmachten zou het ideaal van "nooit meer oorlog" niet levensvatbaar zijn. Italië sloot zich aan, en ook België, Nederland en Luxemburg, die al geruime tijd als Benelux een douane-unie vormden.
Wat in de jaren na de oorlog was begonnen als een ideaal, ontwikkelde zich tot een pragmatisch, economisch samenwerkingsverband: de controles aan de binnengrenzen verdwenen, de interne markt kwam tot stand in de jaren '80 en de euro werd in een groot deel van de EU-landen geïntroduceerd als gemeenschappelijk betaalmiddel. En niet onbelangrijk: de EU breidde zich uit, met het Verenigd Koninkrijk bij voorbeeld in 1973, met Spanje en Portugal in 1986 en in 2004 met tien landen die we vroeger tot het Oostblok rekenden. De EU bestaat op dit moment, sinds de uitbreiding met Bulgarije en Roemenië, uit 27 en is met zo'n 500 miljoen inwoners het grootste economische blok in de wereld.
Ruim 50 jaar na de oprichting van wat uiteindelijk de naam Europese Unie heeft gekregen, zijn vele van de oorspronkelijke doelstellingen bereikt: we leven in dit deel van de wereld in relatieve stabiliteit, een derde wereldoorlog bleef uit en economisch ontwikkelden de lidstaten zich in dit klimaat voortvarend.
Onderzoek heeft aangetoond dat Nederland in economisch opzicht veel profijt heeft van de Europese samenwerking. Gemiddeld leveren de voordelen van de interne markt ons een extra maandsalaris per persoon op. Als Nederland niet de vruchten van Europese samenwerking had geplukt, mogen we er zonder enige twijfel van uitgaan, dat onze welvaart minder zou zijn geweest.
Maar met de ontwikkeling van de EU als economisch samenwerkingsverband raakte ook het oorspronkelijke ideaal van de grondleggers steeds verder op de achtergrond. Steeds meer wordt het middel- economische samenwerking- aangezien voor het doel van Europese integratie, zeker door de generatie die is opgegroeid in een klimaat van politieke stabiliteit waarin het ideaal van "nooit meer oorlog" steeds minder tot de verbeelding spreekt.
In tegenstelling tot de eerste decennia na de oprichting van de EEG staat de publieke opinie sinds begin jaren '90 om diverse redenen minder positief tegenover Europese integratie. Dit was bijvoorbeeld al duidelijk voelbaar in Denemarken toen de bevolking daar bij het referendum in eerste instantie tegen het Verdrag van Maastricht stemde. Het "nee" dat bij het referendum in Frankrijk en Nederland werd uitgesproken tegen de Europese Grondwet is uiteraard een recenter voorbeeld van deze toegenomen Euroscepsis: twee van de landen die ruim 50 jaar geleden het Europese ideaal vorm gaven, toonden openlijk hun aarzelingen tegen verdere samenwerking.
Heeft het proces van Europese integratie inmiddels zijn bovengrens bereikt? Om deze vraag te kunnen beantwoorden hebben de Europese leiders in de twee jaren na het referendum over de Grondwet een periode van "bezinning", waarin zij zich de vraag stelden waar we stonden en of we op de ingeslagen weg verder wilden, gehouden.
Velen hadden de hoop dat het nieuwe verdrag, dat op 1 december 2009 in werking is getreden als nieuw begin aangewezen zou worden na de impasse van de afgelopen jaren. De economische crises en de financiële problemen in Griekenland zorgen voor nieuwe uitdagingen die de verhoudingen in Europa opnieuw op scherp zetten.
Nederland heeft al meer dan 50 jaar geleden samen met België, Duitsland, Frankrijk, Italië en Luxemburg de conclusie getrokken, dat we in Europa meer moesten gaan samenwerken. Bovendien meenden de leiders van deze landen dat samenwerken goed is voor de Europese handel. Ook was Europa aan het herstellen van een verwoestende oorlog en men verwachtte dat landen die nauw samenwerken, elkaar niet gauw zullen aanvallen.
Nederland stond in 1951 dan ook enthousiast aan de wieg van de Europese samenwerking van toen nog maar 6 landen. Deze samenwerking is een succes gebleken: de welvaart nam sterk toe, de onderlinge oorlogen bleven achterwege, inmiddels doen 27 lidstaten aan de Europese Unie mee en een aantal staat ongeduldig in de rij.
Toch is het enthousiasme uit de beginjaren in Nederland sterk verminderd. Europa is ondanks deze successen voor velen een 'ver-van-mijn-bed-show' geworden. Deze opvatting kwam tot uiting in het nee in het referendum over de Grondwet. Na het 'nee' in het referendum zijn eisen opgesteld over hoe de grondwet aangepast moest worden. Aan deze eisen is helemaal of deels voldaan. Er ligt naar het oordeel van het kabinet nu een beter verdrag. De coalitiepartijen CDA, PvdA en ChristenUnie vinden het een uitstekend resultaat. Ook GroenLinks en D66 zijn vóór, al zijn deze partijen teleurgesteld dat een aantal dingen zijn geschrapt. Ook de VVD is overwegend positief.
De SP blijft het betreuren dat Nederland op een aantal terreinen zijn vetorecht heeft weggegeven. De SP zal daarom tegen dit verdrag stemmen. Wel geeft de partij toe dat de grondwet op een paar belangrijke punten echt veranderd is. De Partij voor de Dieren is tegen het Verdrag van Lissabon om dat er nergens in het verdrag een artikel staat dat expliciet de dieren in bescherming neemt. En de PVV van Geert Wilders noemde het verlies van het vetorecht op een aantal terreinen als het "verkwanselen" van de Nederlandse belang.
De Tweede Kamer heeft het nieuwe verdrag de eerste week van juni 2008 goedgekeurd. Wel heeft de Kamer besloten dat ze meer dan nu betrokken moet worden bij het tot stand komen van Europese regelgeving. Bij politiek gevoelige zaken zal de regering meer informatie moeten geven en mag de regering pas na overleg met de Kamer een definitief standpunt in de Raad van Ministers innemen. De Eerste Kamer heeft het Verdrag van Lissabon goedgekeurd op 8 juli 2008. Het Verdrag is op 1 december 2009 in werking getreden.
Inhoudsopgave van deze pagina:
__________
Site van Europees Parlement
Bureau Nederland & Parlementair Documentatie Centrum UL
__________

