Submenu:
Nieuws-items bij Stijgende voedselprijzen
-
06-02Europese Unie gaat door met voedselhulp voor arme Europeanen (en)
-
17-12-2011Melkpakket moet functioneren melkmarkt bevorderen (en)
-
15-12-2011Voedselprogramma voor armste EU-inwoners verlengt in 2012 en 2013 (en)
-
15-12-2011Voedselhulp voor de armsten blijft in 2012 en 2013 (en)
-
08-11-2011Toespraak eurocommissaris Georgieva over bestrijden van ondervoeding door duurzame interventies (en)
-
05-10-2011Verbeteringen handelsregels en landbouwbeleid nodig om voedselzekerheid te garanderen
-
04-10-2011Toespraak eurocommissaris Piebalgs over voedselzekerheid (en)
-
03-10-2011Nieuwe amendementen op tafel om een impasse te voorkomen in het Voedselhulp voor Behoeftigen programma (en)
-
29-09-2011Prijzenmonitor voor voedselproducten geïntroduceerd (en)
-
05-09-2011Graanvoorraad historisch laag
-
18-07-2011Nederlandse graanoogst blijft op peil
-
07-07-2011Europarlement roept op om niet te snoeien in EU-voedselprogramma (en)
-
27-06-2011Landbouwcommissie Europarlement: zuivelhandel moet doorzichtiger (en)
-
24-06-2011Voorbeelden van maatregelen die de EU neemt om voedselvoorziening voor armste landen te ondersteunen (en)
-
24-06-2011EU gaat samen met VN-voedselorganisaties voedselvoorziening bespreken (en)
-
23-06-2011Europarlementariërs waarschuwen Barroso tegen verlaging landbouwbudget (en)
-
23-06-2011Toespraak eurocommissaris Ciolos over dynamiek wereldwijd landbouwbeleid bij G20 (fr)
-
25-05-2011Vernieuwde landbouwbeleid moet aanbod garanderen en milieuvriendelijk zijn volgens EP (en)
-
23-05-2011G-20 gevraagd om capaciteit landbouwsector te vergroten met oog op toekomstige voedselvoorraad (en)
-
18-05-2011Raad onderhandelt over graanprijs en suikerquotum (en)
Stijgende voedselprijzen - Hoofdinhoud
Wereldwijd stijgen de voedselprijzen. De prijzen van landbouwproducten als graan, rijst, mais, sojabonen, melk en suiker zijn de afgelopen jaren enorm gestegen, waardoor de bevolking in de armste regio's van de wereld de kosten niet meer op kan brengen. Het Europees Parlement schat dat wereldwijd meer dan 1 miljard mensen in honger leven en er ieder jaar 40 miljoen mensen overlijden aan voedseltekort.
De hongersnood en het voedseltekort spelen vooral in ontwikkelingslanden een grote rol. In het Westen wordt slechts zo'n 10 tot 20 procent van het maandelijks inkomen aan voedsel besteed, waardoor de stijgende voedselprijzen hier minder worden opgemerkt door de consument. In ontwikkelingslanden besteden mensen 60 tot 80 procent van het maandelijks inkomen aan voedsel, waardoor inwoners van de armste delen van de wereld soms maaltijden moeten overslaan.
De voedseltekorten en stijgende prijzen zorgden in de armste regio's van de wereld eerder al voor politieke onrust. In 2006, 2007 en 2008 deden zich wereldwijde protesten voor, waarbij vooral in de ontwikkelingslanden doden en gewonden vielen. Zo vielen in Kameroen veertig doden bij een bevolkingsopstand, en in onder andere Haïti, Egypte, Mauritanië, Mozambique eindigden betogingen tegen de hoge voedselprijzen in plunderingen en confrontaties met de politie. Thailand en Pakistan zetten het leger in om de voedselopslagplaatsen te bewaken.
De voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) heeft in haar rapport van 2009 aangegeven dat er geen aanwijzingen zijn dat deze situatie zal veranderen en de stijging in de komende jaren zal afnemen. In maart 2011 waarschuwden G20-leider Frankrijk en de FAO zelfs voor een nieuwe voedselcrisis. Wereldbank-president Robert Zoellick sloot zich in april bij hen aan. Oorzaak voor de hernieuwde zorgen is de speculatie op de grondstoffenmarkten, die bovendien mede aanleiding zou zijn geweest voor de onrust in de Arabische wereld. Frankrijk bereidt naar aanleiding van deze situatie voorstellen voor om de handel in grondstoffen te reguleren en transparanter te maken. Deze zouden in juni tijdens een bijeenkomst van G20-Landbouwministers in Parijs besproken moeten worden.
Inhoudsopgave van deze pagina:
De politieke en economische onrust die door de stijging van de voedselprijzen veroorzaakt is, wordt de 'voedselcrisis' genoemd. Regeringsleiders en internationale organisaties als de VN en de Wereldbank maken melding van hongersnood, oplaaiende onlusten tegen regeringen en bedreiging van de politieke en economische stabiliteit van de landen. De toenmalige Eurocommissaris voor Ontwikkelingssamenwerking Louis Michel sprak in 2009 van een 'humanitaire crisis in de maak, als de prijzen blijven stijgen'. Josette Sheeran, directeur van het Wereld Voedselprogramma (WFP) van de VN, noemde de gevolgen van de stijgende prijzen een ' stille tsunami ' van honger die voornamelijk de allerarmsten in de wereld raakt. Zij sprak van een nieuw soort honger: één waarbij er wel voedsel in de winkels ligt, maar mensen het zich niet kunnen veroorloven dat te kopen.
Op 16 november 2009 hield de voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties in Rome een Internationale Voedseltop, waar met internationale regeringsleiders en staatshoofden de voedselcrisis besproken is. Met het oog op de millenniumdoelen en een verwachte stijging van de wereldbevolking tot 9 miljard mensen in 2050, hebben de Verenigde Naties aangedrongen op een eenduidige wereldwijde visie en directe actie. Concrete besluiten om de honger in de wereld in 2010 te halveren, zoals in de millenniumdoelen is vastgesteld, werden niet genomen. Bovendien was een groot deel van de belangrijke industrielanden niet vertegenwoordigd. De VN beschouwde deze top als 'feitelijk mislukt'.
De politieke onrust, die in ontwikkelingslanden tot doden en gewonden leidde, kenmerkt de voedselcrisis. Net als de problemen die landen hebben om samen tot een langdurige oplossing te komen. Maar aan de grondslag van het probleem liggen de stijgende voedselprijzen.
Stijgende prijzen zijn het gevolg van schaarste die ontstaat aan de aanbodkant en/of een stijging van de vraag. Dit is dus ook het geval bij de prijzen van voedsel. Volgens een rapport van de Wereldbank kunnen de voedselprijsstijgingen niet alleen worden veroorzaakt door slechte oogsten. Ook kunnen de stijgingen maar voor 15% procent worden verklaard door de hogere energieprijzen en duurdere meststoffen. De Wereldbank noemt daarom als belangrijkste oorzaken de toegenomen vraag naar voedsel en biobrandstoffen.
Toenemende vraag naar voedsel
Ten eerste neemt de vraag naar voedsel in opkomende landen als China en India, maar ook in landen als Brazilië en Rusland, toe. In deze landen zien steeds meer mensen hun koopkracht stijgen, waardoor ook de consumptie van bijvoorbeeld vlees en bier toeneemt. Daarnaast is er ook een groei van de bevolking. Dit resulteert in een enorme vraag naar voedingsstoffen. Naarmate de economie groeit, neemt ook de vraag naar voedsel, en met name vlees, toe. Voor de productie van een kilo vlees is al gauw 8 kilo graan nodig. De toegenomen vraag naar voedsel is dus de belangrijkste oorzaak van de prijsstijging.
Toenemende vraag naar biobrandstoffen
Ook de vraag naar voedingsstoffen die als brandstof kunnen dienen, zoals mais en soja, heeft het afgelopen jaar een enorme vlucht genomen. De klimaatverandering heeft de afgelopen jaren veel in de aandacht gestaan en dat heeft ertoe geleid dat de wereldwijde vraag naar biobrandstoffen enorm is gestegen. Landen die het Kyoto-protocol hebben ondertekend, zijn verplichtingen aangegaan om hun uitstoot van CO2 te verlagen. Het gebruik van biobrandstoffen is een manier om deze uitstoot te verminderen, maar de enorme vraag zorgt ervoor dat de prijzen erg stijgen.
Slechte oogsten door klimaatverandering
De klimaatveranderingen, zoals langere perioden van droogte, extreme weersomstandigheden en temperatuurstijgingen, hebben ook invloed op de oogst. De oogsten leveren hierdoor in sommige perioden minder op dan verwacht, wat ook de prijs omhoog duwt.
Door de hierboven beschreven veranderingen is er sprake van een stijgende vraag naar landbouwproducten, waardoor ook de prijs stijgt. Maar daarnaast zijn er ook wereldwijde subsidies en heffingen die een rol spelen in de stijgende voedselprijzen en de voedseltekorten in ontwikkelingslanden. Binnen de EU is het Europees Landbouwbeleid het voorbeeld van een systeem van subsidies en heffingen dat invloed heeft op hoeveel voedsel er wereldwijd wordt geproduceerd en tegen welke prijs. Door de aanhoudende hongersnoden en voedseltekorten in de wereld wordt dit Europees landbouwbeleid kritisch bekeken en is er een hervormingsfase gestart.
Het Europees landbouwbeleid bestaat uit een aantal maatregelen om de landbouwsector binnen de EU te ondersteunen. Om ervoor te zorgen dat boeren in de EU kunnen concurreren met boeren buiten de EU (die goedkoper landbouwproducten kunnen verbouwen) heeft de EU in de jaren '60 dit beleid van importheffingen en exportsubsidies opgezet. Hierdoor konden boeren in de EU blijven bestaan; er bleef vraag naar de producten en ze bleven verzekerd van een inkomen. Deze maatregelen zorgen er echter mede voor dat prijzen voor deze landbouwproducten stijgen en de bevolking in ontwikkelingslanden met voedseltekorten kampt, terwijl in het Westen genoeg voedsel is en we de stijgende voedselprijzen nauwelijks merken.
Importheffingen
Veel landbouwproducerende landen in de EU zoeken als oplossing voor mogelijke werkeloosheid in de landbouwsector, het gezamenlijk invoeren van importheffingen op bijvoorbeeld tarwe en rijst. Dat betekent dat voor de invoer van die artikelen in de EU belasting moet worden betaald. Daarnaast wil de EU niet volledig afhankelijk zijn van andere landen voor de voedselvoorziening. Bij het uitbreken van een conflict of een natuurramp kan import van producten lastiger of onmogelijk worden. De EU wil dus niet aangewezen zijn op de import van voedsel, maar ook deels zelf haar eigen voedsel kunnen produceren.
Door de importheffingen worden de prijzen om producten van buiten de EU te importeren hoger, waardoor deze producten minder geïmporteerd worden. Als gevolg daarvan kunnen boeren in ontwikkelingslanden (die eigenlijk veel goedkoper voedsel kunnen verbouwen) minder verkopen op de Europese markt. Hierdoor lopen boeren in armere regio's inkomen mis, en is er te weinig opbrengst om succesvol landbouw uit te oefenen en voor de eigen voedselvoorziening te zorgen.
Exportsubsidies
Aan de basis van dit probleem staat ook, naast de hierboven genoemde importheffingen, het systeem van exportsubsidies zoals dat in het Europees landbouwbeleid bestaat. In Europa worden subsidies verstrekt aan boeren die de landbouwgoederen produceren. Hierdoor hebben de boeren een gegarandeerd inkomen, en kunnen ze beter concurreren met boeren uit ontwikkelingslanden die goedkoper landbouwproducten kunnen verbouwen. De boeren binnen de EU kunnen hierdoor goedkoper exporteren, waardoor ze meer verdienen. Zeker als ze ook meer produceren leidt deze subsidie tot een hoger inkomen, waardoor er alleen maar meer wordt geproduceerd. Er wordt soms zelfs zoveel geproduceerd dat niet alle landbouwproducten verkocht kunnen worden en er overschotten ontstaan: 'melkplassen', 'boterbergen'' of 'wijnmeren'.
Terwijl binnen de EU dus zelfs te veel voedsel wordt geproduceerd, is door de importheffingen en exportsubsidies de bevolking in ontwikkelingslanden niet in staat om zelf een goed functionerende landbouwsector op te bouwen.
De stijgende voedselprijzen raken ook Europa. Hoewel de Europese burgers het zelf amper nog in hun portemonnee merken, neemt de druk op de Europese Unie toe. Met name vanwege haar landbouwbeleid en haar beleid met betrekking tot biobrandstoffen.
De Europese leiders besloten namelijk in het voorjaar van 2007 dat 10% van de brandstoffen voor het verkeer in 2020 uit biobrandstoffen zoals koolzaad en palmolie afkomstig moet zijn. Nu rapporten van internationale organisaties als de FAO en de Wereldbank aantonen dat de wereldwijde stijging van de vraag naar biobrandstoffen ertoe bijdraagt dat de voedselprijzen stijgen, wordt de EU onder druk gezet om haar beleid op dit punt te herzien.
In 2008 schonk de EU al 1 miljard euro aan ontwikkelingslanden met het EU taalaan("en")Food Facilitytaaluit programma. Daarnaast heeft de Europese Investeringsbank een microkredietprogramma opgezet voor boeren in ontwikkelingslanden. Maar buiten deze Europese investeringen in ontwikkelingshulp bestaat er binnen de EU nog geen eensgezindheid over welke andere oplossingen voor de voedselcrisis gevonden kunnen worden. Met name de invloed van het Europese landbouwbeleid, en de hervorming daarvan, zorgen voor veel onenigheid.
Deze onenigheid heeft geleid tot een groot debat in de EU over hoe het landbouwbeleid hervormd moet worden en hoe de EU verder kan bijdragen aan een structurele oplossing van de stijgende voedselprijzen en de voedselcrisis. Het is niet alleen de landbouwsector, en Europese of nationale landbouwbeleidsmakers die aan een oplossing kunnen meewerken; ook consumenten, ministers van milieu, handel en ontwikkelingssamenwerking, en non-gouvernementele organisaties kunnen hieraan bijdragen. Al deze groepen verschillen van mening over welke oplossing de beste is. In de EU staan eurocommissarissen, Europarlementariërs, boeren, de voedselindustrie en nationale ministers tegenover elkaar met hun visies op welke oplossingen kunnen werken.
Europese Commissie
De Commissie Barroso I bleek de afgelopen jaren intern verdeeld over de kwestie. Zo viel in 2008 de toenmalige Eurocommissaris voor ontwikkelingssamenwerking Louis Michel uit tegen het beleid van zijn eigen Commissie. Hij noemde de biobrandstoffen 'een catastrofe' voor de ontwikkelingslanden. Samen met de Eurocommissaris voor milieu in die periode, Stavros Dimas, was hij voor het opnemen van zogenaamde sociale criteria in de beoordeling van het gebruik van biobrandstoffen. De link tussen de stijgende voedselprijzen en het gebruik van biobrandstoffen zou volgens hem meer aandacht verdienen en daar zou meer rekening mee moeten worden gehouden.
De Eurocommissarissen voor Energie en voor Handel waren het hier echter niet mee eens. Daarnaast was ook de landbouwcommissaris in de Commissie Barroso I, Mariann Fischer- Boel, van mening dat de verhoogde vraag naar biobrandstoffen niet de oorzaak is van de voedselprijsstijgingen. Zij zag ook kansen in de recente voedselprijsstijgingen. Volgens haar zouden de hoge voedselprijzen ervoor kunnen zorgen dat landen ontwikkelingshulp doelgerichter maken. Ook claimde zij dat het Amerikaanse biobrandstoffenbeleid een groot effect op de stijgende voedselprijzen heeft, maar dat het Europees beleid daarentegen slechts een minimaal effect heeft.
In reactie op de kritiek op dit beleid heeft de voorzitter van de Europese Commissie Jose Manuel Barroso een studie aangevraagd die de relatie moet onderzoeken tussen de stijgende voedselprijzen en biobrandstoffen. Volgens Barroso wil dat echter niet direct zeggen dat hij het doel van 10 % biobrandstoffen wil heroverwegen.
Barroso sprak aan het begin van de Internationale Voedseltop in Rome op 16 november 2009 over een wereldwijde aanpak die niet alleen oplossingen in biobrandstoffen of meer ontwikkelingshulp zoekt. Volgens de voorzitter van de Europese Commissie is er een groot verband tussen de voedselprijzen, wereldwijde veiligheid en klimaatverandering. Hij benadrukte dat meer ontwikkelingshulp en investeringen niet een structurele oplossing zijn. Wereldwijd moeten er volgens hem veranderingen in landbouwbeleid en economisch beleid doorgevoerd worden. Hierdoor kunnen verbeteringen in ontwikkelingshulp worden ondersteund en tot een blijvende oplossing worden gemaakt.
Hoewel Barroso zich heeft uitgesproken over een groter pakket aan oplossingen, blijft het beleid van de Europese Commissie voor meer oplossingen nog uit. In het begin van 2010 heeft de EU, na wetsvoorstellen van de Commissie, beslissingen genomen om de exportquota van suiker te verhogen en opnieuw subsidies voor melkproducenten in te stellen. Dit was vooral een maatregel om de problemen van de economische crisis aan te kunnen. Langdurige oplossingen voor het opheffen van subsidies en heffingen zijn nog niet gevonden.
De Commissie Barroso II is in 2010 aan het werk gegaan met nieuwe eurocommissarissen. In deze Commissie zijn het met name Kristalina Georgieva (Internationale samenwerking, Humanitaire hulp en crisisbestrijding) en Andris Piebalgs (Ontwikkeling) die zich met het onderwerp bezighouden. Ook de eurocommissarissen Michel Barnier (Interne Markt) en Dacian Ciolos (Landbouw) zijn bij de kwestie betrokken. Deze laatste is verantwoordelijk voor de hervorming van het Europees Landbouwbeleid en zal in de herfst van 2011 met concrete voorstellen komen.
Europees Parlement
Het EP bracht in maart 2009 een rapport uit over voedselveiligheid voor consumenten en inkomenszekerheid voor producenten in de EU. Hierin verzocht het de Europese Commissie met een voorstel te komen om de interne markt voor voedselproductie van duidelijker en standvastige regelgeving te voorzien. Daarmee zouden volgens het rapport EU-burgers meer inzicht in de totstandkoming van voedselprijzen moeten krijgen en moet er meer aandacht besteed worden aan de markt voor lokale voedselproductie binnen de EU. Het Europees Parlement ziet nog een toekomst voor het Europees landbouwbeleid, om de armste mensen in Europa een gegarandeerd inkomen en voedselvoorziening te geven, mits deze veranderingen worden doorgevoerd.
Het Europees Parlement staat daarnaast zeer kritisch tegenover het Europees beleid ten aanzien van de voedseltekorten in ontwikkelingslanden. Zo liet het EP begin 2009 weten meer initiatieven van de Commissie te verwachten dan alleen de financiële steun aan ontwikkelingslanden. Volgens veel Europarlementariërs zijn deze maatregelen niet vergaand genoeg. Zij zien ook een noodzaak in herziening van het doel van 10 procent biobrandstoffen van de Europese Commissie, een eerlijker handelsrelatie met ontwikkelingslanden en meer aandacht voor microkredietprojecten.
Het EP is opgetogen over de acties binnen het EU Food Facility programma om deze veranderingen door te voeren, maar is nog niet eensgezind over een Europese oplossing voor de voedselproblematiek. Met name het dilemma om meer voedsel uit ontwikkelingslanden in de Europese markt binnen te laten, en tegelijk Europese boeren en voedselproducenten een stabiele toekomst te bieden, zorgt voor interne meningsverschillen en moeilijke beslissingen.
In februari 2011 drong het Parlement in een resolutie aan op maatregelen tegen manipulatie van de voedselprijzen. Zo zou de Commissie moeten onderzoeken of de nieuwe Europese Autoriteit voor Effecten en Markten meer bevoegdheden zou moeten krijgen om misbruik op de grondstoffenmarkten te voorkomen. Daarnaast riep het EP de Commissie op om nauwlettend toe te zien op tenuitvoerlegging van de wetten die zijn aangenomen om klimaatverandering tegen te gaan. Tot slot vinden de Europarlementariërs dat een groter deel van het budget voor Ontwikkelingssamenwerking naar boeren zou moeten gaan, zodat zij kunnen beschikken over efficiëntere en duurzame technieken.
Hieronder staan een aantal veel gehoorde argumenten in de discussie over de stijgende voedselprijzen, waarbij bijna altijd wel kanttekeningen te maken zijn. Dat maakt de discussie boeiend, maar een oordeel niet eenvoudiger. De argumenten gaan over de rol die de EU in de discussie zou moeten spelen. Door op de links te klikken krijgt u meer informatie én nuancering.
Tip: Na het lezen van de argumenten kunt u zelf Uw reactie geven.
-
De Europese Commissie moet haar beleid over biobrandstoffen aanpassen, nu blijkt dat biobrandstoffen voor een groot deel verantwoordelijk zijn voor de stijgende voedselprijzen.
Het beleid van de Europese Commissie ten aanzien van het doel van 10 procent biobrandstoffen in 2020, is ingezet om tot een verlaging van de CO 2 -uitstoot in Europa te komen. Op deze manier wil de EU de klimaatverandering tegengaan. Het beleid van de Europese Unie is gebaseerd op eerste generatie biobrandstoffen zoals maïs, soja en graan. Op het moment dat de EC dit besluit nam, waren de gevolgen van de verhoogde vraag naar deze voedingstoffen nog niet duidelijk. Nu blijkt dat de verhoogde vraag naar biobrandstoffen voor een groot deel bijdraagt aan de verhoogde voedselprijzen is wellicht het moment daar voor de EC om haar beleid ten aanzien van biobrandstoffen te heroverwegen.
-
De Europese Commissie moet haar doel van 10 procent biobrandstoffen in stand laten en zich niet laten leiden door de ophef over de stijgende voedselprijzen.
Het effect van de verhoogde vraag naar biobrandstoffen op de voedselprijzen is dan wel aangetoond, maar er spelen ook andere oorzaken een rol. In principe moet er voldoende geproduceerd kunnen worden om aan alle vraag te voldoen. Door verschillende oorzaken is dat nu nog niet het geval. Het is daarom belangrijk om niet mee te gaan met de waan van de dag om biobrandstoffen in de ban te doen. De EU moet juist meer aandacht besteden aan het investeren in nieuwe technologieën om de opbrengsten in de landbouw te verhogen en meer geld uitrekken voor het onderzoek naar tweede en derde generatie biobrandstoffen.
-
Ontwikkelingslanden mogen de export van landbouwproducten aan banden leggen, omdat ze die producten zelf nodig hebben.
Het zijn met name de ontwikkelingslanden die de gevolgen voelen van de voedselcrisis. Hún bevolking heeft honger. De mensen in het Westen daarentegen ondervinden nauwelijks de gevolgen van de gestegen voedselprijzen. Het is dus logisch dat ontwikkelingslanden beschermende maatregelen nemen om hun bevolking te beschermen.
-
Mensen uit de EU voelen de gevolgen van de voedselcrisis nauwelijks en dus hebben zij de morele plicht om mensen te helpen die er wel onder lijden.
Mensen uit de EU merken nauwelijks dat de prijzen van voedsel stijgen. Er is daarnaast ook geen schaarste in dit gedeelte van de wereld. Daarom hebben de mensen die het geluk hebben in het meer welvarende deel van de wereld te zijn geboren, de morele plicht om de mensen die minder goed af zijn te helpen om in hun dagelijkse levensbehoeften te voorzien.
-
Dit is het moment voor de Europese Unie om haar landbouwsubsidies grondig te herzien en haast te maken met de openstelling van de Europese markt voor producten uit ontwikkelingslanden.
Het Europees landbouwbeleid heeft veel kritiek gehad en zit in een grondige hervormingsfase die moet leiden tot een nieuw landbouwbeleid in 2013. Openstelling van de Europese markt voor producten uit ontwikkelingslanden kan er voor zorgen dat producenten uit die landen hun producten tegen eerlijke voorwaarden kunnen afzetten op de Europese markt. Dit zal een stimulans kunnen zijn om de productie in ontwikkelingslanden op te voeren. Op deze manier zal het aanbod van voedsel groter worden.
-
De Europese Unie moet zich gaan toeleggen op de ontwikkeling van tweede en derde generatie biobrandstoffen, waardoor prijsstijgingen op eetbare gewassen geringer worden.
Het stimuleren van het gebruik van biobrandstoffen is een goede manier om de CO 2 uitstoot terug te brengen. De traditionele biobrandstoffen als maïs en soja worden ook gebruikt voor de consumptie waardoor de prijzen van voedsel stijgen. Dit kan worden voorkomen door meer gebruik te maken van zogenaamde tweede en derde generatie biobrandstoffen. Deze biobrandstoffen worden gemaakt van niet-eetbare gewassen of plantaardig restmateriaal. Voordat dit soort biobrandstoffen optimaal gebruikt kunnen worden is echter meer onderzoek en ontwikkeling nodig. Hiervoor moet de EU geld beschikbaar stellen zodat deze biobrandstoffen de plaats van de eerste generatie biobrandstoffen kunnen overnemen.
-
De Europese Unie moet zich meer richten op de ontwikkeling van technologie om de landbouwproductie te verhogen en zorgen dat deze technologie ook beschikbaar komt voor ontwikkelingslanden.
Een van de oorzaken van de stijgende voedselprijzen is het feit dat de oogsten, voornamelijk in ontwikkelingslanden, minder groot zijn dan wat de landbouw zou kunnen opbrengen. Door te investeren in betere zaden en landbouwtechnieken kan de oogst per hectare worden vergroot. Het is daarom van belang dat nieuwe technologieën en kennis ook beschikbaar komen voor ontwikkelingslanden.
Uw reactie
Door op Uw reactie te klikken kunt u laten weten, wat u van de verschillende argumenten vindt. Ook kunt u natuurlijk andere argumenten aandragen. Uw reactie wordt zeer op prijs gesteld.
Inhoudsopgave van deze pagina:
__________
Site van Europees Parlement
Bureau Nederland & Parlementair Documentatie Centrum UL
__________

